[30 juni 2010, 19.00 CET] Paleontologen van de Natuurhistorische musea van Rotterdam, Parijs, Pisa, Lima en Brussel en van de Universiteit Utrecht, waaronder NMR-directeur Jelle Reumer en honorair-conservator Klaas Post, zijn betrokken bij de ontdekking en de beschrijving van Leviathan melvillei, een Miocene roofpotvis met tanden van enorme afmetingen. Het zeemonster - met de grootste beet ooit - hield zich vermoedelijk in leven door baleinwalvissen te eten. De officiële wetenschappelijke beschrijving van de nieuwe (maar uitgestorven) soort verschijnt 1 juli 2010 in het toonaangevende tijdschrift Nature. Het fossiel heeft een ouderdom van circa 12 tot 13 miljoen jaar en werd gevonden in Peru.
Het Natuurhistorisch Museum Rotterdam zal later dit jaar (reconstructies van) delen van de Leviathan tentoonstellen. Nu zijn er replica’s van de drie grootste tanden te zien.
Leviathan werd in 2008 ontdekt door Klaas Post, honorair-conservator fossiele zoogdieren bij het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Hij deed de vondst tijdens een korte expeditie in de Pisco-Ica-woestijn aan de zuidkust van Peru. Een aantal grote brokken van de schedel en de onderkaken en vooral een aantal tanden, die op het oog sterk op korte slagtanden van olifanten leken, trokken de aandacht. Die tanden bleken kolossale potvistanden. De schedel en kaken waren redelijk compleet gefossiliseerd. Medewerkers van het Natuurhistorisch Museum van de Universiteit van Lima hebben het gevaarte geborgen en geprepareerd. Het fossiel blijft in Peru. zie v.ideo
De naam, Leviathan melvillei, is ontleend aan de oorspronkelijk Hebreeuwse naam (Livyatan) van een mythisch zeemonster, en aan de schrijver Herman Melville, auteur van Moby-Dick.
Het fossiel, waarvan alleen de maarliefst drie meter lange schedel met onderkaken en tanden zijn overgebleven, is afkomstig van een naar schatting 13 tot 18 meter lange roofpotvis. De tanden zijn gigantisch: maximaal 12 centimeter in diameter, en 36 centimeter lang. Er stonden er negen van in elk van de beide bovenkaken, en elf in de beide onderkaken. Met dat gebit was Leviathan een geduchte jager, en de hypothese is dat hij zich voedde met de destijds algemeen voorkomende baleinwalvissen, waarvan het hoog-calorische vetgehalte aan de energiebehoefte van de rover kan hebben voldaan. De bekende nu nog levende potvis (Physeter macrocephalus) heeft een geheel andere voedselkeuze en eetmethode: die voedt zich met inktvissen, die op grote diepte worden opgezogen. De recente potvissen hebben daartoe een volkomen ander gebit: relatief kleine tanden in de onderkaak terwijl de bovenkaken praktisch tandeloos zijn. Terwijl de roofpotvissen zoals Leviathan de afkoeling die in het late Mioceen begon niet overleefden, kon de groep waar de gewone potvis toe behoort het op een ander dieet wel volhouden tot onze dagen.
De officiele publicatie
Olivier Lambert, Giovanni Bianucci, Klaas Post, Christian de Muizon, Rodolfo Salas-Gismondi, Mario Urbina & Jelle Reumer - The giant bite of a new raptorial sperm whale from the Miocene epoch of Peru – Nature 466 (7302) 1 July 2010 [DOI: 10.1038/nature09067]